NL: emaneren U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëmaneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik emaneer jij emaneert hij emaneert wij emaneren jullie emaneren zij emaneren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëmaneerd jij hebt geëmaneerd hij heeft geëmaneerd wij hebben geëmaneerd jullie hebben geëmaneerd zij hebben geëmaneerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik emaneerde jij emaneerde hij emaneerde wij emaneerden jullie emaneerden zij emaneerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëmaneerd jij had geëmaneerd hij had geëmaneerd wij hadden geëmaneerd jullie hadden geëmaneerd zij hadden geëmaneerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal emaneren jij zult emaneren hij zal emaneren wij zullen emaneren jullie zullen emaneren zij zullen emaneren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëmaneerd hebben jij zult geëmaneerd hebben hij zal geëmaneerd hebben wij zullen geëmaneerd hebben jullie zullen geëmaneerd hebben zij zullen geëmaneerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou emaneren jij zou emaneren hij zou emaneren wij zouden emaneren jullie zouden emaneren zij zouden emaneren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëmaneerd hebben jij zou geëmaneerd hebben hij zou geëmaneerd hebben wij zouden geëmaneerd hebben jullie zouden geëmaneerd hebben zij zouden geëmaneerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
emaneer
|