NL: eenendertigen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëenendertigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik eenendertig jij eenendertigt hij eenendertigt wij eenendertigen jullie eenendertigen zij eenendertigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëenendertigd jij hebt geëenendertigd hij heeft geëenendertigd wij hebben geëenendertigd jullie hebben geëenendertigd zij hebben geëenendertigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik eenendertigde jij eenendertigde hij eenendertigde wij eenendertigden jullie eenendertigden zij eenendertigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëenendertigd jij had geëenendertigd hij had geëenendertigd wij hadden geëenendertigd jullie hadden geëenendertigd zij hadden geëenendertigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal eenendertigen jij zult eenendertigen hij zal eenendertigen wij zullen eenendertigen jullie zullen eenendertigen zij zullen eenendertigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëenendertigd hebben jij zult geëenendertigd hebben hij zal geëenendertigd hebben wij zullen geëenendertigd hebben jullie zullen geëenendertigd hebben zij zullen geëenendertigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou eenendertigen jij zou eenendertigen hij zou eenendertigen wij zouden eenendertigen jullie zouden eenendertigen zij zouden eenendertigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëenendertigd hebben jij zou geëenendertigd hebben hij zou geëenendertigd hebben wij zouden geëenendertigd hebben jullie zouden geëenendertigd hebben zij zouden geëenendertigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
eenendertig
|