NL: ebben U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geëbd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik eb jij ebt hij ebt wij ebben jullie ebben zij ebben
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geëbd jij hebt geëbd hij heeft geëbd wij hebben geëbd jullie hebben geëbd zij hebben geëbd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik ebde jij ebde hij ebde wij ebden jullie ebden zij ebden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geëbd jij had geëbd hij had geëbd wij hadden geëbd jullie hadden geëbd zij hadden geëbd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal ebben jij zult ebben hij zal ebben wij zullen ebben jullie zullen ebben zij zullen ebben
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geëbd hebben jij zult geëbd hebben hij zal geëbd hebben wij zullen geëbd hebben jullie zullen geëbd hebben zij zullen geëbd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou ebben jij zou ebben hij zou ebben wij zouden ebben jullie zouden ebben zij zouden ebben
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geëbd hebben jij zou geëbd hebben hij zou geëbd hebben wij zouden geëbd hebben jullie zouden geëbd hebben zij zouden geëbd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
eb
|
DE: ebben| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geebbt ebbend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich ebbe du ebbst er ebbt wir ebben ihr ebbt sie; Sie ebben
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geebbt du hast geebbt er hat geebbt wir haben geebbt ihr habt geebbt sie; Sie haben geebbt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich ebbte du ebbtest er ebbte wir ebbten ihr ebbtet sie; Sie ebbten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geebbt du hattest geebbt er hatte geebbt wir hatten geebbt ihr hattet geebbt sie; Sie hatten geebbt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde ebben du wirst ebben er wird ebben wir werden ebben ihr werdet ebben sie; Sie werden ebben
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geebbt haben du wirst geebbt haben er wird geebbt haben wir werden geebbt haben ihr werdet geebbt haben sie; Sie werden geebbt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ebbe du ebbest er ebbe wir ebben ihr ebbet sie; Sie ebben
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geebbt du habest geebbt er habe geebbt wir haben geebbt ihr habet geebbt sie; Sie haben geebbt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich ebbte du ebbtest er ebbte wir ebbten ihr ebbtet sie; Sie ebbten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geebbt du hättest geebbt er hätte geebbt wir hätten geebbt ihr hättet geebbt sie; Sie hätten geebbt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde ebben du würdest ebben er würde ebben wir würden ebben ihr würdet ebben sie; Sie würden ebben
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geebbt haben du würdest geebbt haben er würde geebbt haben wir würden geebbt haben ihr würdet geebbt haben sie; Sie würden geebbt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du ebbe
|