NL: duvelenSynoniemen: duivelen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geduveld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik duvel jij duvelt hij duvelt wij duvelen jullie duvelen zij duvelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geduveld jij hebt geduveld hij heeft geduveld wij hebben geduveld jullie hebben geduveld zij hebben geduveld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik duvelde jij duvelde hij duvelde wij duvelden jullie duvelden zij duvelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geduveld jij had geduveld hij had geduveld wij hadden geduveld jullie hadden geduveld zij hadden geduveld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal duvelen jij zult duvelen hij zal duvelen wij zullen duvelen jullie zullen duvelen zij zullen duvelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geduveld hebben jij zult geduveld hebben hij zal geduveld hebben wij zullen geduveld hebben jullie zullen geduveld hebben zij zullen geduveld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou duvelen jij zou duvelen hij zou duvelen wij zouden duvelen jullie zouden duvelen zij zouden duvelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geduveld hebben jij zou geduveld hebben hij zou geduveld hebben wij zouden geduveld hebben jullie zouden geduveld hebben zij zouden geduveld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
duvel
|