NL: duttenSynoniemen: gedut, soezen, sluimeren, dommelen, doezelen
ES: dutten (dommelen): echar un sueño, estar dormitando, dormitar, soñar despierto, estar medio dormido, estar adormilado, estar en la luna
FR: dutten (dommelen): sommeiller, être endormi, somnoler, rêvasser, faire la sieste, faire un somme
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedut
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik dut jij dut hij dut wij dutten jullie dutten zij dutten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedut jij hebt gedut hij heeft gedut wij hebben gedut jullie hebben gedut zij hebben gedut
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik dutte jij dutte hij dutte wij dutten jullie dutten zij dutten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedut jij had gedut hij had gedut wij hadden gedut jullie hadden gedut zij hadden gedut
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal dutten jij zult dutten hij zal dutten wij zullen dutten jullie zullen dutten zij zullen dutten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedut hebben jij zult gedut hebben hij zal gedut hebben wij zullen gedut hebben jullie zullen gedut hebben zij zullen gedut hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou dutten jij zou dutten hij zou dutten wij zouden dutten jullie zouden dutten zij zouden dutten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedut hebben jij zou gedut hebben hij zou gedut hebben wij zouden gedut hebben jullie zouden gedut hebben zij zouden gedut hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
dut
|