NL: duellerenSynoniemen: vechten, matten, knokken, kampen, bakkeleien
FR: duelleren (knokken): se battre, tabasser, battre le fer, se battre en duel, se chamailler, se cogner, se bagarrer, castagner, se quereller, aller sur le pré, taper dur
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geduelleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik duelleer jij duelleert hij duelleert wij duelleren jullie duelleren zij duelleren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geduelleerd jij hebt geduelleerd hij heeft geduelleerd wij hebben geduelleerd jullie hebben geduelleerd zij hebben geduelleerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik duelleerde jij duelleerde hij duelleerde wij duelleerden jullie duelleerden zij duelleerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geduelleerd jij had geduelleerd hij had geduelleerd wij hadden geduelleerd jullie hadden geduelleerd zij hadden geduelleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal duelleren jij zult duelleren hij zal duelleren wij zullen duelleren jullie zullen duelleren zij zullen duelleren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geduelleerd hebben jij zult geduelleerd hebben hij zal geduelleerd hebben wij zullen geduelleerd hebben jullie zullen geduelleerd hebben zij zullen geduelleerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou duelleren jij zou duelleren hij zou duelleren wij zouden duelleren jullie zouden duelleren zij zouden duelleren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geduelleerd hebben jij zou geduelleerd hebben hij zou geduelleerd hebben wij zouden geduelleerd hebben jullie zouden geduelleerd hebben zij zouden geduelleerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
duelleer
|