NL: droogleggenSynoniemen: inpolderen, indijken
DE: droogleggen (inpolderen): entwässern, einpoldern, trockenlegen
EN: droogleggen (inpolderen): drain, impolder
ES: droogleggen (inpolderen): cerrar con diques, desaguar, desecar, ganar al mar, rodear de un dique, cerrar con un dique
FR: droogleggen (inpolderen): poldériser, transformer en polder
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
drooggelegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik leg droog jij legt droog hij legt droog wij leggen droog jullie leggen droog zij leggen droog
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb drooggelegd jij hebt drooggelegd hij heeft drooggelegd wij hebben drooggelegd jullie hebben drooggelegd zij hebben drooggelegd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik legde droog jij legde droog hij legde droog wij legden droog jullie legden droog zij legden droog
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had drooggelegd jij had drooggelegd hij had drooggelegd wij hadden drooggelegd jullie hadden drooggelegd zij hadden drooggelegd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal droogleggen jij zult droogleggen hij zal droogleggen wij zullen droogleggen jullie zullen droogleggen zij zullen droogleggen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal drooggelegd hebben jij zult drooggelegd hebben hij zal drooggelegd hebben wij zullen drooggelegd hebben jullie zullen drooggelegd hebben zij zullen drooggelegd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou droogleggen jij zou droogleggen hij zou droogleggen wij zouden droogleggen jullie zouden droogleggen zij zouden droogleggen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou drooggelegd hebben jij zou drooggelegd hebben hij zou drooggelegd hebben wij zouden drooggelegd hebben jullie zouden drooggelegd hebben zij zouden drooggelegd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
leg droog
|