NL: drinkenSynoniemen: zuipen, hijsen, nippen, pimpelen, rommel, borrelen
DE: das Trinken
EN: the drinking, the sipping
ES: la copeo
FR: le fait de boire
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedronken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik drink jij drinkt hij drinkt wij drinken jullie drinken zij drinken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedronken jij hebt gedronken hij heeft gedronken wij hebben gedronken jullie hebben gedronken zij hebben gedronken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik dronk jij dronk hij dronk wij dronken jullie dronken zij dronken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedronken jij had gedronken hij had gedronken wij hadden gedronken jullie hadden gedronken zij hadden gedronken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal drinken jij zult drinken hij zal drinken wij zullen drinken jullie zullen drinken zij zullen drinken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedronken hebben jij zult gedronken hebben hij zal gedronken hebben wij zullen gedronken hebben jullie zullen gedronken hebben zij zullen gedronken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou drinken jij zou drinken hij zou drinken wij zouden drinken jullie zouden drinken zij zouden drinken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedronken hebben jij zou gedronken hebben hij zou gedronken hebben wij zouden gedronken hebben jullie zouden gedronken hebben zij zouden gedronken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
drink
|