NL: dreigenSynoniemen: bedreigen, gevaar lopen, op handen zijn
DE: drohen
EN: threaten
ES: amenazar
FR: menacer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedreigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik dreig jij dreigt hij dreigt wij dreigen jullie dreigen zij dreigen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedreigd jij hebt gedreigd hij heeft gedreigd wij hebben gedreigd jullie hebben gedreigd zij hebben gedreigd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik dreigde jij dreigde hij dreigde wij dreigden jullie dreigden zij dreigden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedreigd jij had gedreigd hij had gedreigd wij hadden gedreigd jullie hadden gedreigd zij hadden gedreigd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal dreigen jij zult dreigen hij zal dreigen wij zullen dreigen jullie zullen dreigen zij zullen dreigen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedreigd hebben jij zult gedreigd hebben hij zal gedreigd hebben wij zullen gedreigd hebben jullie zullen gedreigd hebben zij zullen gedreigd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou dreigen jij zou dreigen hij zou dreigen wij zouden dreigen jullie zouden dreigen zij zouden dreigen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedreigd hebben jij zou gedreigd hebben hij zou gedreigd hebben wij zouden gedreigd hebben jullie zouden gedreigd hebben zij zouden gedreigd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
dreig
|