NL: dopen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedoopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doop jij doopt hij doopt wij dopen jullie dopen zij dopen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedoopt jij hebt gedoopt hij heeft gedoopt wij hebben gedoopt jullie hebben gedoopt zij hebben gedoopt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doopte jij doopte hij doopte wij doopten jullie doopten zij doopten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedoopt jij had gedoopt hij had gedoopt wij hadden gedoopt jullie hadden gedoopt zij hadden gedoopt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal dopen jij zult dopen hij zal dopen wij zullen dopen jullie zullen dopen zij zullen dopen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedoopt hebben jij zult gedoopt hebben hij zal gedoopt hebben wij zullen gedoopt hebben jullie zullen gedoopt hebben zij zullen gedoopt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou dopen jij zou dopen hij zou dopen wij zouden dopen jullie zouden dopen zij zouden dopen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedoopt hebben jij zou gedoopt hebben hij zou gedoopt hebben wij zouden gedoopt hebben jullie zouden gedoopt hebben zij zouden gedoopt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doop
|
DE: dopen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gedopt dopend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich dope du dopst er dopt wir dopen ihr dopt sie; Sie dopen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gedopt du hast gedopt er hat gedopt wir haben gedopt ihr habt gedopt sie; Sie haben gedopt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich dopte du doptest er dopte wir dopten ihr doptet sie; Sie dopten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gedopt du hattest gedopt er hatte gedopt wir hatten gedopt ihr hattet gedopt sie; Sie hatten gedopt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde dopen du wirst dopen er wird dopen wir werden dopen ihr werdet dopen sie; Sie werden dopen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gedopt haben du wirst gedopt haben er wird gedopt haben wir werden gedopt haben ihr werdet gedopt haben sie; Sie werden gedopt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich dope du dopest er dope wir dopen ihr dopet sie; Sie dopen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gedopt du habest gedopt er habe gedopt wir haben gedopt ihr habet gedopt sie; Sie haben gedopt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich dopte du doptest er dopte wir dopten ihr doptet sie; Sie dopten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gedopt du hättest gedopt er hätte gedopt wir hätten gedopt ihr hättet gedopt sie; Sie hätten gedopt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde dopen du würdest dopen er würde dopen wir würden dopen ihr würdet dopen sie; Sie würden dopen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gedopt haben du würdest gedopt haben er würde gedopt haben wir würden gedopt haben ihr würdet gedopt haben sie; Sie würden gedopt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du dope
|