NL: doorsluizenSynoniemen: sluizen
EN: let through
FR: laisser passer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
doorgesluisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik sluis door jij sluist door hij sluist door wij luizen door jullie luizen door zij luizen door
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb doorgesluisd jij hebt doorgesluisd hij heeft doorgesluisd wij hebben doorgesluisd jullie hebben doorgesluisd zij hebben doorgesluisd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik sluisde door jij sluisde door hij sluisde door wij sluisden door jullie sluisden door zij sluisden door
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had doorgesluisd jij had doorgesluisd hij had doorgesluisd wij hadden doorgesluisd jullie hadden doorgesluisd zij hadden doorgesluisd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal doorsluizen jij zult doorsluizen hij zal doorsluizen wij zullen doorsluizen jullie zullen doorsluizen zij zullen doorsluizen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal doorgesluisd hebben jij zult doorgesluisd hebben hij zal doorgesluisd hebben wij zullen doorgesluisd hebben jullie zullen doorgesluisd hebben zij zullen doorgesluisd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou doorsluizen jij zou doorsluizen hij zou doorsluizen wij zouden doorsluizen jullie zouden doorsluizen zij zouden doorsluizen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou doorgesluisd hebben jij zou doorgesluisd hebben hij zou doorgesluisd hebben wij zouden doorgesluisd hebben jullie zouden doorgesluisd hebben zij zouden doorgesluisd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
sluis door
|