NL: doorrijdenDE: durchfahren
EN: ride on, drive on
ES: seguir conduciendo, continuar, no detenerse
FR: poursuivre, continuer sa route
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
doorgereden
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik rijd door jij rijdt door hij rijdt door wij rijden door jullie rijden door zij rijden door
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb doorgereden jij hebt doorgereden hij heeft doorgereden wij hebben doorgereden jullie hebben doorgereden zij hebben doorgereden
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik reed door jij reed door hij reed door wij reden door jullie reden door zij reden door
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had doorgereden jij had doorgereden hij had doorgereden wij hadden doorgereden jullie hadden doorgereden zij hadden doorgereden
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal doorrijden jij zult doorrijden hij zal doorrijden wij zullen doorrijden jullie zullen doorrijden zij zullen doorrijden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal doorgereden hebben jij zult doorgereden hebben hij zal doorgereden hebben wij zullen doorgereden hebben jullie zullen doorgereden hebben zij zullen doorgereden hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou doorrijden jij zou doorrijden hij zou doorrijden wij zouden doorrijden jullie zouden doorrijden zij zouden doorrijden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou doorgereden hebben jij zou doorgereden hebben hij zou doorgereden hebben wij zouden doorgereden hebben jullie zouden doorgereden hebben zij zouden doorgereden hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
rijd door
|