NL: domiciliëren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedomicilieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik domicilieer jij domicilieert hij domicilieert wij domiciliëren jullie domiciliëren zij domiciliëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedomicilieerd jij hebt gedomicilieerd hij heeft gedomicilieerd wij hebben gedomicilieerd jullie hebben gedomicilieerd zij hebben gedomicilieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik domicilieerde jij domicilieerde hij domicilieerde wij domicilieerden jullie domicilieerden zij domicilieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedomicilieerd jij had gedomicilieerd hij had gedomicilieerd wij hadden gedomicilieerd jullie hadden gedomicilieerd zij hadden gedomicilieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal domiciliëren jij zult domiciliëren hij zal domiciliëren wij zullen domiciliëren jullie zullen domiciliëren zij zullen domiciliëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedomicilieerd hebben jij zult gedomicilieerd hebben hij zal gedomicilieerd hebben wij zullen gedomicilieerd hebben jullie zullen gedomicilieerd hebben zij zullen gedomicilieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou domiciliëren jij zou domiciliëren hij zou domiciliëren wij zouden domiciliëren jullie zouden domiciliëren zij zouden domiciliëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedomicilieerd hebben jij zou gedomicilieerd hebben hij zou gedomicilieerd hebben wij zouden gedomicilieerd hebben jullie zouden gedomicilieerd hebben zij zouden gedomicilieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
domicilieer
|