NL: doemen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedoemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doem jij doemt hij doemt wij doemen jullie doemen zij doemen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedoemd jij hebt gedoemd hij heeft gedoemd wij hebben gedoemd jullie hebben gedoemd zij hebben gedoemd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doemde jij doemde hij doemde wij doemden jullie doemden zij doemden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedoemd jij had gedoemd hij had gedoemd wij hadden gedoemd jullie hadden gedoemd zij hadden gedoemd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal doemen jij zult doemen hij zal doemen wij zullen doemen jullie zullen doemen zij zullen doemen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedoemd hebben jij zult gedoemd hebben hij zal gedoemd hebben wij zullen gedoemd hebben jullie zullen gedoemd hebben zij zullen gedoemd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou doemen jij zou doemen hij zou doemen wij zouden doemen jullie zouden doemen zij zouden doemen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedoemd hebben jij zou gedoemd hebben hij zou gedoemd hebben wij zouden gedoemd hebben jullie zouden gedoemd hebben zij zouden gedoemd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doem
|