NL: doctoreren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedoctoreerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doctoreer jij doctoreert hij doctoreert wij doctoreren jullie doctoreren zij doctoreren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedoctoreerd jij hebt gedoctoreerd hij heeft gedoctoreerd wij hebben gedoctoreerd jullie hebben gedoctoreerd zij hebben gedoctoreerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doctoreerde jij doctoreerde hij doctoreerde wij doctoreerden jullie doctoreerden zij doctoreerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedoctoreerd jij had gedoctoreerd hij had gedoctoreerd wij hadden gedoctoreerd jullie hadden gedoctoreerd zij hadden gedoctoreerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal doctoreren jij zult doctoreren hij zal doctoreren wij zullen doctoreren jullie zullen doctoreren zij zullen doctoreren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedoctoreerd hebben jij zult gedoctoreerd hebben hij zal gedoctoreerd hebben wij zullen gedoctoreerd hebben jullie zullen gedoctoreerd hebben zij zullen gedoctoreerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou doctoreren jij zou doctoreren hij zou doctoreren wij zouden doctoreren jullie zouden doctoreren zij zouden doctoreren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedoctoreerd hebben jij zou gedoctoreerd hebben hij zou gedoctoreerd hebben wij zouden gedoctoreerd hebben jullie zouden gedoctoreerd hebben zij zouden gedoctoreerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doctoreer
|