NL: docerenSynoniemen: instrueren, onderrichten, onderwijzen, bijbrengen
DE: doceren (onderwijzen): unterrichten, beibringen, lernen, erziehen, erlernen, lehren, unterweisen, belehren, instruieren, anlernen, einüben, dozieren, einstudieren, einpauken
EN: doceren (onderwijzen): teach, instruct, prepare, train
ES: doceren (onderwijzen): instruir, educar, dar clases
FR: doceren (onderwijzen): enseigner, instruire, apprendre, donner des instructions
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedoceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik doceer jij doceert hij doceert wij doceren jullie doceren zij doceren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedoceerd jij hebt gedoceerd hij heeft gedoceerd wij hebben gedoceerd jullie hebben gedoceerd zij hebben gedoceerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik doceerde jij doceerde hij doceerde wij doceerden jullie doceerden zij doceerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedoceerd jij had gedoceerd hij had gedoceerd wij hadden gedoceerd jullie hadden gedoceerd zij hadden gedoceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal doceren jij zult doceren hij zal doceren wij zullen doceren jullie zullen doceren zij zullen doceren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedoceerd hebben jij zult gedoceerd hebben hij zal gedoceerd hebben wij zullen gedoceerd hebben jullie zullen gedoceerd hebben zij zullen gedoceerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou doceren jij zou doceren hij zou doceren wij zouden doceren jullie zouden doceren zij zouden doceren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedoceerd hebben jij zou gedoceerd hebben hij zou gedoceerd hebben wij zouden gedoceerd hebben jullie zouden gedoceerd hebben zij zouden gedoceerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
doceer
|