Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

dienen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: dienen

NL: dienen
Synoniemen: gerieven

DE: helfen, bedienen, einen Dienst erweisen
EN: accomodate, oblige, help, be of help, extend the hand, make oneself useful

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gediend
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik dien
jij dient
hij dient
wij dienen
jullie dienen
zij dienen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gediend
jij hebt gediend
hij heeft gediend
wij hebben gediend
jullie hebben gediend
zij hebben gediend
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik diende
jij diende
hij diende
wij dienden
jullie dienden
zij dienden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gediend
jij had gediend
hij had gediend
wij hadden gediend
jullie hadden gediend
zij hadden gediend
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal dienen
jij zult dienen
hij zal dienen
wij zullen dienen
jullie zullen dienen
zij zullen dienen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gediend hebben
jij zult gediend hebben
hij zal gediend hebben
wij zullen gediend hebben
jullie zullen gediend hebben
zij zullen gediend hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou dienen
jij zou dienen
hij zou dienen
wij zouden dienen
jullie zouden dienen
zij zouden dienen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gediend hebben
jij zou gediend hebben
hij zou gediend hebben
wij zouden gediend hebben
jullie zouden gediend hebben
zij zouden gediend hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
dien


DE: dienen
Synoniemen: helfen, bedienen, einen Dienst erweisen

NL: gerieven
EN: accomodate, oblige, help, be of help, extend the hand, make oneself useful
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gedient
dienend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich diene
du dienst
er dient
wir dienen
ihr dient
sie; Sie dienen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gedient
du hast gedient
er hat gedient
wir haben gedient
ihr habt gedient
sie; Sie haben gedient
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich diente
du dientest
er diente
wir dienten
ihr dientet
sie; Sie dienten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gedient
du hattest gedient
er hatte gedient
wir hatten gedient
ihr hattet gedient
sie; Sie hatten gedient
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde dienen
du wirst dienen
er wird dienen
wir werden dienen
ihr werdet dienen
sie; Sie werden dienen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gedient haben
du wirst gedient haben
er wird gedient haben
wir werden gedient haben
ihr werdet gedient haben
sie; Sie werden gedient haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich diene
du dienest
er diene
wir dienen
ihr dienet
sie; Sie dienen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gedient
du habest gedient
er habe gedient
wir haben gedient
ihr habet gedient
sie; Sie haben gedient
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich diente
du dientest
er diente
wir dienten
ihr dientet
sie; Sie dienten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gedient
du hättest gedient
er hätte gedient
wir hätten gedient
ihr hättet gedient
sie; Sie hätten gedient
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde dienen
du würdest dienen
er würde dienen
wir würden dienen
ihr würdet dienen
sie; Sie würden dienen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gedient haben
du würdest gedient haben
er würde gedient haben
wir würden gedient haben
ihr würdet gedient haben
sie; Sie würden gedient haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du diene

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/dienen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English