Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: denken
Synoniemen: nachdenken, grübeln über, nachsinnen, sinnen, überlegen, vermuten, annehmen, glauben, meinen, voraussetzen

NL: wikken en wegen
EN: consider, weigh up
FR: peser le pour et le contre


NL: denken

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gedacht

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik denk
jij denkt
hij denkt
wij denken
jullie denken
zij denken

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
dat ik denk
dat jij denkt
dat hij denkt
dat wij denken
dat jullie denken
dat zij denken

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gedacht
jij hebt gedacht
hij heeft gedacht
wij hebben gedacht
jullie hebben gedacht
zij hebben gedacht

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik dacht
jij dacht
hij dacht
wij dachten
jullie dachten
zij dachten

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
dat ik dacht
dat jij dacht
dat hij dacht
dat wij dachten
dat jullie dachten
dat zij dachten

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gedacht
jij had gedacht
hij had gedacht
wij hadden gedacht
jullie hadden gedacht
zij hadden gedacht

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal denken
jij zult denken
hij zal denken
wij zullen denken
jullie zullen denken
zij zullen denken

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gedacht hebben
jij zult gedacht hebben
hij zal gedacht hebben
wij zullen gedacht hebben
jullie zullen gedacht hebben
zij zullen gedacht hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou denken
jij zou denken
hij zou denken
wij zouden denken
jullie zouden denken
zij zouden denken

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gedacht hebben
jij zou gedacht hebben
hij zou gedacht hebben
wij zouden gedacht hebben
jullie zouden gedacht hebben
zij zouden gedacht hebben

Gebiedende wijs
denk



DE: denken
Partizip Perfekt & Präsens
gedacht
denkend

Indikativ Präsens
ich denke
du denkst
er denkt
wir denken
ihr denkt
sie; Sie denken

Indikativ Perfekt
ich habe gedacht
du hast gedacht
er hat gedacht
wir haben gedacht
ihr habt gedacht
sie; Sie haben gedacht

Indikativ Präteritum
ich dachte
du dachtest
er dachte
wir dachten
ihr dachtet
sie; Sie dachten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gedacht
du hattest gedacht
er hatte gedacht
wir hatten gedacht
ihr hattet gedacht
sie; Sie hatten gedacht

Indikativ Futur I
ich werde denken
du wirst denken
er wird denken
wir werden denken
ihr werdet denken
sie; Sie werden denken

Indikativ Futur II
ich werde gedacht haben
du wirst gedacht haben
er wird gedacht haben
wir werden gedacht haben
ihr werdet gedacht haben
sie; Sie werden gedacht haben

Konjunktiv I Präsens
ich denke
du denkest
er denke
wir denken
ihr denket
sie; Sie denken

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gedacht
du habest gedacht
er habe gedacht
wir haben gedacht
ihr habet gedacht
sie; Sie haben gedacht

Konjunktiv II Präsens
ich dächte
du dächtest
er dächte
wir dächten
ihr dächtet
sie; Sie dächten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gedacht
du hättest gedacht
er hätte gedacht
wir hätten gedacht
ihr hättet gedacht
sie; Sie hätten gedacht

Konjunktiv II Futur I
ich würde denken
du würdest denken
er würde denken
wir würden denken
ihr würdet denken
sie; Sie würden denken

Konjunktiv II Futur II
ich würde gedacht haben
du würdest gedacht haben
er würde gedacht haben
wir würden gedacht haben
ihr würdet gedacht haben
sie; Sie würden gedacht haben

der Imperativ
du denke


Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden