Werkwoord vervoegen

Typ een werkwoord in één van de talen NL, DE, EN, ES of FR.

Vervoeg

DE: denken
NL: denken

U: Vervoeg zoals `jij`. Men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`.

Voltooid deelwoord
gedacht

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
ik denk
jij denkt
hij denkt
wij denken
jullie denken
zij denken

Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
dat ik denk
dat jij denkt
dat hij denkt
dat wij denken
dat jullie denken
dat zij denken

Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
ik heb gedacht
jij hebt gedacht
hij heeft gedacht
wij hebben gedacht
jullie hebben gedacht
zij hebben gedacht

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
ik dacht
jij dacht
hij dacht
wij dachten
jullie dachten
zij dachten

Onvoltooid verleden tijd (ovt)
dat ik dacht
dat jij dacht
dat hij dacht
dat wij dachten
dat jullie dachten
dat zij dachten

Voltooid verleden tijd (vvt)
ik had gedacht
jij had gedacht
hij had gedacht
wij hadden gedacht
jullie hadden gedacht
zij hadden gedacht

Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
ik zal denken
jij zult denken
hij zal denken
wij zullen denken
jullie zullen denken
zij zullen denken

Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
ik zal gedacht hebben
jij zult gedacht hebben
hij zal gedacht hebben
wij zullen gedacht hebben
jullie zullen gedacht hebben
zij zullen gedacht hebben

Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
ik zou denken
jij zou denken
hij zou denken
wij zouden denken
jullie zouden denken
zij zouden denken

Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
ik zou gedacht hebben
jij zou gedacht hebben
hij zou gedacht hebben
wij zouden gedacht hebben
jullie zouden gedacht hebben
zij zouden gedacht hebben

Gebiedende wijs
denk


Voorbeelden

  1. Onze “buren” zullen van 24 maart tot en met 20 mei centraal staan als “Duitsland - Land van Dichters en Denkers”
  2. Duitsland: Land van Dichters en Denkers is het thema van Keukenhof 2011
  3. Met dit arrangement hoeft u zelf nergens aan te denken!
  4. denk er aan ... te rijden
  5. denkt u aan uw bagage en persoonlijke eigendommen
  6. wat denkt u van deze?
  7. ik denk dat er een nieuwe batterij in moet
  8. Mocht je denken dat de Hortus een muffig museum is, dan heb je het mis
  9. Het thema van de Keukenhof dit jaar is “Duitsland: land van Dichters en Denkers”
  10. Ik denk daar anders over
  11. Ik zal je zeggen wat ik ervan denk
  12. Dit trekt vele bezoekers aan, waarvan sommige er over denken zich te vestigen op het eiland
  13. Wanneer u denkt aan het kopen van een huis, is er geen betere tijd dan nu
  14. Denk er ook aan om je warm te kleden
  15. Een landstreek met stijle rotsen, bonte bloemenweiden, zachte oevervegetatie, stukken die aan een jungle doen denken en natte bossen


DE: denken    Vertaal    Voorbeelden    Synoniemen
Partizip Perfekt & Präsens
gedacht
denkend

Indikativ Präsens
ich denke
du denkst
er denkt
wir denken
ihr denkt
sie; Sie denken

Indikativ Perfekt
ich habe gedacht
du hast gedacht
er hat gedacht
wir haben gedacht
ihr habt gedacht
sie; Sie haben gedacht

Indikativ Präteritum
ich dachte
du dachtest
er dachte
wir dachten
ihr dachtet
sie; Sie dachten

Indikativ Plusquamperfekt
ich hatte gedacht
du hattest gedacht
er hatte gedacht
wir hatten gedacht
ihr hattet gedacht
sie; Sie hatten gedacht

Indikativ Futur I
ich werde denken
du wirst denken
er wird denken
wir werden denken
ihr werdet denken
sie; Sie werden denken

Indikativ Futur II
ich werde gedacht haben
du wirst gedacht haben
er wird gedacht haben
wir werden gedacht haben
ihr werdet gedacht haben
sie; Sie werden gedacht haben

Konjunktiv I Präsens
ich denke
du denkest
er denke
wir denken
ihr denket
sie; Sie denken

Konjunktiv I Perfekt
ich habe gedacht
du habest gedacht
er habe gedacht
wir haben gedacht
ihr habet gedacht
sie; Sie haben gedacht

Konjunktiv II Präsens
ich dächte
du dächtest
er dächte
wir dächten
ihr dächtet
sie; Sie dächten

Konjunktiv II Perfekt
ich hätte gedacht
du hättest gedacht
er hätte gedacht
wir hätten gedacht
ihr hättet gedacht
sie; Sie hätten gedacht

Konjunktiv II Futur I
ich würde denken
du würdest denken
er würde denken
wir würden denken
ihr würdet denken
sie; Sie würden denken

Konjunktiv II Futur II
ich würde gedacht haben
du würdest gedacht haben
er würde gedacht haben
wir würden gedacht haben
ihr würdet gedacht haben
sie; Sie würden gedacht haben

der Imperativ
du denke


Voorbeelden

  1. Wenn Sie durch den Park wandern, denken Sie darüber nach, wie Sie all diese Schönheit auch zu Hause verwirklichen können
    Lopend door het park bedenkt u hoe u dit moois ook thuis kunt verwezenlijken
  2. Denken Sie auch an warme Kleidung
    Denk er ook aan om je warm te kleden
  3. Und falls Sie einen großen Stellplatz benötigen, denken Sie bitte daran, es bei der Reservierung anzugeben
    Mocht u veel ruimte nodig hebben, vergeet dit niet te melden bij de reservering
  4. das denke ich auch
    daar ben ik het mee eens
  5. Ich denke, es gibt ein Gewitter
    Ik denk dat er onweer komt
  6. Ich denke, du hast'nen Vogel!
    Ik denk dat jij ze ziet vliegen
  7. Vielen Dank, ich denke, wir sind gut informiert
    Heel erg bedankt, ik denk, dat we goed geïnformeerd zijn
  8. Was denken Sie, wird es morgen noch schneien?
    Wat denk u, zal het morgen nog sneeuwen?
  9. Ich denke schon
    ik denk van wel
  10. Auf dem Weg zur Schule, denke ich
    Op weg naar school, denk ik

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden


Duitse werkwoorden


Engelse werkwoorden


Franse werkwoorden


Spaanse werkwoorden