NL: delegerenSynoniemen: afvaardigen, overdragen, deputeren
DE: delegeren (afvaardigen): delegieren, ermächtigen, abordnen
EN: delegeren (afvaardigen): delegate, depute
ES: delegeren (afvaardigen): diputar, delegar
FR: delegeren (afvaardigen): déléguer, députer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedelegeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik delegeer jij delegeert hij delegeert wij delegeren jullie delegeren zij delegeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedelegeerd jij hebt gedelegeerd hij heeft gedelegeerd wij hebben gedelegeerd jullie hebben gedelegeerd zij hebben gedelegeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik delegeerde jij delegeerde hij delegeerde wij delegeerden jullie delegeerden zij delegeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedelegeerd jij had gedelegeerd hij had gedelegeerd wij hadden gedelegeerd jullie hadden gedelegeerd zij hadden gedelegeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal delegeren jij zult delegeren hij zal delegeren wij zullen delegeren jullie zullen delegeren zij zullen delegeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedelegeerd hebben jij zult gedelegeerd hebben hij zal gedelegeerd hebben wij zullen gedelegeerd hebben jullie zullen gedelegeerd hebben zij zullen gedelegeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou delegeren jij zou delegeren hij zou delegeren wij zouden delegeren jullie zouden delegeren zij zouden delegeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedelegeerd hebben jij zou gedelegeerd hebben hij zou gedelegeerd hebben wij zouden gedelegeerd hebben jullie zouden gedelegeerd hebben zij zouden gedelegeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
delegeer
|