NL: declamerenSynoniemen: opzeggen, oreren, voordragen
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedeclameerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik declameer jij declameert hij declameert wij declameren jullie declameren zij declameren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedeclameerd jij hebt gedeclameerd hij heeft gedeclameerd wij hebben gedeclameerd jullie hebben gedeclameerd zij hebben gedeclameerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik declameerde jij declameerde hij declameerde wij declameerden jullie declameerden zij declameerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedeclameerd jij had gedeclameerd hij had gedeclameerd wij hadden gedeclameerd jullie hadden gedeclameerd zij hadden gedeclameerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal declameren jij zult declameren hij zal declameren wij zullen declameren jullie zullen declameren zij zullen declameren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedeclameerd hebben jij zult gedeclameerd hebben hij zal gedeclameerd hebben wij zullen gedeclameerd hebben jullie zullen gedeclameerd hebben zij zullen gedeclameerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou declameren jij zou declameren hij zou declameren wij zouden declameren jullie zouden declameren zij zouden declameren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedeclameerd hebben jij zou gedeclameerd hebben hij zou gedeclameerd hebben wij zouden gedeclameerd hebben jullie zouden gedeclameerd hebben zij zouden gedeclameerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
declameer
|