NL: decamperen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gedecampeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik decampeer jij decampeert hij decampeert wij decamperen jullie decamperen zij decamperen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gedecampeerd jij hebt gedecampeerd hij heeft gedecampeerd wij hebben gedecampeerd jullie hebben gedecampeerd zij hebben gedecampeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik decampeerde jij decampeerde hij decampeerde wij decampeerden jullie decampeerden zij decampeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gedecampeerd jij had gedecampeerd hij had gedecampeerd wij hadden gedecampeerd jullie hadden gedecampeerd zij hadden gedecampeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal decamperen jij zult decamperen hij zal decamperen wij zullen decamperen jullie zullen decamperen zij zullen decamperen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gedecampeerd hebben jij zult gedecampeerd hebben hij zal gedecampeerd hebben wij zullen gedecampeerd hebben jullie zullen gedecampeerd hebben zij zullen gedecampeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou decamperen jij zou decamperen hij zou decamperen wij zouden decamperen jullie zouden decamperen zij zouden decamperen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gedecampeerd hebben jij zou gedecampeerd hebben hij zou gedecampeerd hebben wij zouden gedecampeerd hebben jullie zouden gedecampeerd hebben zij zouden gedecampeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
decampeer
|