NL: cumulerenSynoniemen: opeenhopen, opstapelen
FR: cumuler
U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gecumuleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik cumuleer jij cumuleert hij cumuleert wij cumuleren jullie cumuleren zij cumuleren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gecumuleerd jij hebt gecumuleerd hij heeft gecumuleerd wij hebben gecumuleerd jullie hebben gecumuleerd zij hebben gecumuleerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik cumuleerde jij cumuleerde hij cumuleerde wij cumuleerden jullie cumuleerden zij cumuleerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gecumuleerd jij had gecumuleerd hij had gecumuleerd wij hadden gecumuleerd jullie hadden gecumuleerd zij hadden gecumuleerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal cumuleren jij zult cumuleren hij zal cumuleren wij zullen cumuleren jullie zullen cumuleren zij zullen cumuleren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gecumuleerd hebben jij zult gecumuleerd hebben hij zal gecumuleerd hebben wij zullen gecumuleerd hebben jullie zullen gecumuleerd hebben zij zullen gecumuleerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou cumuleren jij zou cumuleren hij zou cumuleren wij zouden cumuleren jullie zouden cumuleren zij zouden cumuleren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gecumuleerd hebben jij zou gecumuleerd hebben hij zou gecumuleerd hebben wij zouden gecumuleerd hebben jullie zouden gecumuleerd hebben zij zouden gecumuleerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
cumuleer
|