NL: condenserenSynoniemen: neerslaan
DE: kondensieren
EN: condense
FR: condenser
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gecondenseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik condenseer jij condenseert hij condenseert wij condenseren jullie condenseren zij condenseren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gecondenseerd jij hebt gecondenseerd hij heeft gecondenseerd wij hebben gecondenseerd jullie hebben gecondenseerd zij hebben gecondenseerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik condenseerde jij condenseerde hij condenseerde wij condenseerden jullie condenseerden zij condenseerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gecondenseerd jij had gecondenseerd hij had gecondenseerd wij hadden gecondenseerd jullie hadden gecondenseerd zij hadden gecondenseerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal condenseren jij zult condenseren hij zal condenseren wij zullen condenseren jullie zullen condenseren zij zullen condenseren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gecondenseerd hebben jij zult gecondenseerd hebben hij zal gecondenseerd hebben wij zullen gecondenseerd hebben jullie zullen gecondenseerd hebben zij zullen gecondenseerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou condenseren jij zou condenseren hij zou condenseren wij zouden condenseren jullie zouden condenseren zij zouden condenseren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gecondenseerd hebben jij zou gecondenseerd hebben hij zou gecondenseerd hebben wij zouden gecondenseerd hebben jullie zouden gecondenseerd hebben zij zouden gecondenseerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
condenseer
|