NL: concipiërenEN: conceptualize, create, design
FR: concevoir, dessiner
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geconcipieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik concipieer jij concipieert hij concipieert wij concipiëren jullie concipiëren zij concipiëren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geconcipieerd jij hebt geconcipieerd hij heeft geconcipieerd wij hebben geconcipieerd jullie hebben geconcipieerd zij hebben geconcipieerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik concipieerde jij concipieerde hij concipieerde wij concipieerden jullie concipieerden zij concipieerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geconcipieerd jij had geconcipieerd hij had geconcipieerd wij hadden geconcipieerd jullie hadden geconcipieerd zij hadden geconcipieerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal concipiëren jij zult concipiëren hij zal concipiëren wij zullen concipiëren jullie zullen concipiëren zij zullen concipiëren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geconcipieerd hebben jij zult geconcipieerd hebben hij zal geconcipieerd hebben wij zullen geconcipieerd hebben jullie zullen geconcipieerd hebben zij zullen geconcipieerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou concipiëren jij zou concipiëren hij zou concipiëren wij zouden concipiëren jullie zouden concipiëren zij zouden concipiëren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geconcipieerd hebben jij zou geconcipieerd hebben hij zou geconcipieerd hebben wij zouden geconcipieerd hebben jullie zouden geconcipieerd hebben zij zouden geconcipieerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
concipieer
|