NL: complicerenSynoniemen: bemoeilijken
DE: compliceren (ingewikkeld maken): erschweren, verwickeln, komplizieren
EN: compliceren (ingewikkeld maken): entangle, complicate, make hard, make difficult
ES: compliceren (ingewikkeld maken): complicarse, involucrar, envolver, atrapar, enredar
FR: compliceren (ingewikkeld maken): rendre difficile, compliquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gecompliceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik compliceer jij compliceert hij compliceert wij compliceren jullie compliceren zij compliceren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gecompliceerd jij hebt gecompliceerd hij heeft gecompliceerd wij hebben gecompliceerd jullie hebben gecompliceerd zij hebben gecompliceerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik compliceerde jij compliceerde hij compliceerde wij compliceerden jullie compliceerden zij compliceerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gecompliceerd jij had gecompliceerd hij had gecompliceerd wij hadden gecompliceerd jullie hadden gecompliceerd zij hadden gecompliceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal compliceren jij zult compliceren hij zal compliceren wij zullen compliceren jullie zullen compliceren zij zullen compliceren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gecompliceerd hebben jij zult gecompliceerd hebben hij zal gecompliceerd hebben wij zullen gecompliceerd hebben jullie zullen gecompliceerd hebben zij zullen gecompliceerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou compliceren jij zou compliceren hij zou compliceren wij zouden compliceren jullie zouden compliceren zij zouden compliceren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gecompliceerd hebben jij zou gecompliceerd hebben hij zou gecompliceerd hebben wij zouden gecompliceerd hebben jullie zouden gecompliceerd hebben zij zouden gecompliceerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
compliceer
|