NL: communicerenSynoniemen: overbrengen, spreken, praten
DE: kommunizieren, hinüberbringen, transportieren, befördern
EN: communicate
ES: comunicar, transmitir
FR: communiquer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gecommuniceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik communiceer jij communiceert hij communiceert wij communiceren jullie communiceren zij communiceren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gecommuniceerd jij hebt gecommuniceerd hij heeft gecommuniceerd wij hebben gecommuniceerd jullie hebben gecommuniceerd zij hebben gecommuniceerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik communiceerde jij communiceerde hij communiceerde wij communiceerden jullie communiceerden zij communiceerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gecommuniceerd jij had gecommuniceerd hij had gecommuniceerd wij hadden gecommuniceerd jullie hadden gecommuniceerd zij hadden gecommuniceerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal communiceren jij zult communiceren hij zal communiceren wij zullen communiceren jullie zullen communiceren zij zullen communiceren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gecommuniceerd hebben jij zult gecommuniceerd hebben hij zal gecommuniceerd hebben wij zullen gecommuniceerd hebben jullie zullen gecommuniceerd hebben zij zullen gecommuniceerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou communiceren jij zou communiceren hij zou communiceren wij zouden communiceren jullie zouden communiceren zij zouden communiceren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gecommuniceerd hebben jij zou gecommuniceerd hebben hij zou gecommuniceerd hebben wij zouden gecommuniceerd hebben jullie zouden gecommuniceerd hebben zij zouden gecommuniceerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
communiceer
|