NL: clarificeren U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geclarificeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik clarificeer jij clarificeert hij clarificeert wij clarificeren jullie clarificeren zij clarificeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geclarificeerd jij hebt geclarificeerd hij heeft geclarificeerd wij hebben geclarificeerd jullie hebben geclarificeerd zij hebben geclarificeerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik clarificeerde jij clarificeerde hij clarificeerde wij clarificeerden jullie clarificeerden zij clarificeerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geclarificeerd jij had geclarificeerd hij had geclarificeerd wij hadden geclarificeerd jullie hadden geclarificeerd zij hadden geclarificeerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal clarificeren jij zult clarificeren hij zal clarificeren wij zullen clarificeren jullie zullen clarificeren zij zullen clarificeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geclarificeerd hebben jij zult geclarificeerd hebben hij zal geclarificeerd hebben wij zullen geclarificeerd hebben jullie zullen geclarificeerd hebben zij zullen geclarificeerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou clarificeren jij zou clarificeren hij zou clarificeren wij zouden clarificeren jullie zouden clarificeren zij zouden clarificeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geclarificeerd hebben jij zou geclarificeerd hebben hij zou geclarificeerd hebben wij zouden geclarificeerd hebben jullie zouden geclarificeerd hebben zij zouden geclarificeerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
clarificeer
|