EN: to chideNL: beknorren
| Gerund |
| De Gerund is een ing-vorm die zelfstandig gebruikt kan worden. |
chiding
|
| Present simple (ott) |
| Tegenwoordige tijd zonder ing-vorm. |
I chide you chide he chides we chide you chide they chide
|
| Present perfect (vtt) |
| Have/has + voltooid deelwoord / voltooid tegenwoordige tijd. |
I have chidden (E); chid (E) you have chidden (E); chid (E) he has chidden (E); chid (E) we have chidden (E); chid (E) you have chidden (E); chid (E) they have chidden (E); chid (E)
|
| Past Simple (ovt) |
| Verleden tijd zonder �ing vorm |
I chid (E) you chid (E) he chid (E) we chid (E) you chid (E) they chid (E)
|
| Past perfect (vvt) |
| Had + voltooid deelwoord / voltooid verleden tijd |
I had chidden (E); chid (E) you had chidden (E); chid (E) he had chidden (E); chid (E) we had chidden (E); chid (E) you had chidden (E); chid (E) they had chidden (E); chid (E)
|
| Present future (ottt) |
| Toekomst. Shall / Will + hele werkwoord |
I will chide you will chide he will chide we will chide you will chide they will chide
|
| Present future perfect (vttt) |
| Shall / Will + have + voltooid deelwoord. Het wordt gebruikt om aan te geven dat iets is afgerond op een nader tijdstip in de toekomst. |
I will have chidden (E); chid (E) you will have chidden (E); chid (E) he will have chidden (E); chid (E) we will have chidden (E); chid (E) you will have chidden (E); chid (E) they will have chidden (E); chid (E)
|
| Past future (ovtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + inf. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
I would chide you would chide he would chide we would chide you would chide they would chide
|
| Past future perfect (vvtt) |
| Altijd gevormd door: should/would + have + volt. dw. Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
I would have chidden (E); chid (E) you would have chidden (E); chid (E) he would have chidden (E); chid (E) we would have chidden (E); chid (E) you would have chidden (E); chid (E) they would have chidden (E); chid (E)
|