NL: checken U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gecheckt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik check jij checkt hij checkt wij checken jullie checken zij checken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gecheckt jij hebt gecheckt hij heeft gecheckt wij hebben gecheckt jullie hebben gecheckt zij hebben gecheckt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik checkte jij checkte hij checkte wij checkten jullie checkten zij checkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gecheckt jij had gecheckt hij had gecheckt wij hadden gecheckt jullie hadden gecheckt zij hadden gecheckt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal checken jij zult checken hij zal checken wij zullen checken jullie zullen checken zij zullen checken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gecheckt hebben jij zult gecheckt hebben hij zal gecheckt hebben wij zullen gecheckt hebben jullie zullen gecheckt hebben zij zullen gecheckt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou checken jij zou checken hij zou checken wij zouden checken jullie zouden checken zij zouden checken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gecheckt hebben jij zou gecheckt hebben hij zou gecheckt hebben wij zouden gecheckt hebben jullie zouden gecheckt hebben zij zouden gecheckt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
check
|
DE: checken| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gecheckt checkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich checke du checkst er checkt wir checken ihr checkt sie; Sie checken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gecheckt du hast gecheckt er hat gecheckt wir haben gecheckt ihr habt gecheckt sie; Sie haben gecheckt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich checkte du checktest er checkte wir checkten ihr checktet sie; Sie checkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gecheckt du hattest gecheckt er hatte gecheckt wir hatten gecheckt ihr hattet gecheckt sie; Sie hatten gecheckt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde checken du wirst checken er wird checken wir werden checken ihr werdet checken sie; Sie werden checken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gecheckt haben du wirst gecheckt haben er wird gecheckt haben wir werden gecheckt haben ihr werdet gecheckt haben sie; Sie werden gecheckt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich checke du checkest er checke wir checken ihr checket sie; Sie checken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gecheckt du habest gecheckt er habe gecheckt wir haben gecheckt ihr habet gecheckt sie; Sie haben gecheckt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich checkte du checktest er checkte wir checkten ihr checktet sie; Sie checkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gecheckt du hättest gecheckt er hätte gecheckt wir hätten gecheckt ihr hättet gecheckt sie; Sie hätten gecheckt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde checken du würdest checken er würde checken wir würden checken ihr würdet checken sie; Sie würden checken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gecheckt haben du würdest gecheckt haben er würde gecheckt haben wir würden gecheckt haben ihr würdet gecheckt haben sie; Sie würden gecheckt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du checke
|