Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

checken vervoegen




DE: checken

NL: checken

U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gecheckt
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik check
jij checkt
hij checkt
wij checken
jullie checken
zij checken
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gecheckt
jij hebt gecheckt
hij heeft gecheckt
wij hebben gecheckt
jullie hebben gecheckt
zij hebben gecheckt
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik checkte
jij checkte
hij checkte
wij checkten
jullie checkten
zij checkten
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gecheckt
jij had gecheckt
hij had gecheckt
wij hadden gecheckt
jullie hadden gecheckt
zij hadden gecheckt
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal checken
jij zult checken
hij zal checken
wij zullen checken
jullie zullen checken
zij zullen checken
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gecheckt hebben
jij zult gecheckt hebben
hij zal gecheckt hebben
wij zullen gecheckt hebben
jullie zullen gecheckt hebben
zij zullen gecheckt hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou checken
jij zou checken
hij zou checken
wij zouden checken
jullie zouden checken
zij zouden checken
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gecheckt hebben
jij zou gecheckt hebben
hij zou gecheckt hebben
wij zouden gecheckt hebben
jullie zouden gecheckt hebben
zij zouden gecheckt hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
check


DE: checken
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gecheckt
checkend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich checke
du checkst
er checkt
wir checken
ihr checkt
sie; Sie checken
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gecheckt
du hast gecheckt
er hat gecheckt
wir haben gecheckt
ihr habt gecheckt
sie; Sie haben gecheckt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich checkte
du checktest
er checkte
wir checkten
ihr checktet
sie; Sie checkten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gecheckt
du hattest gecheckt
er hatte gecheckt
wir hatten gecheckt
ihr hattet gecheckt
sie; Sie hatten gecheckt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde checken
du wirst checken
er wird checken
wir werden checken
ihr werdet checken
sie; Sie werden checken
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gecheckt haben
du wirst gecheckt haben
er wird gecheckt haben
wir werden gecheckt haben
ihr werdet gecheckt haben
sie; Sie werden gecheckt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich checke
du checkest
er checke
wir checken
ihr checket
sie; Sie checken
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gecheckt
du habest gecheckt
er habe gecheckt
wir haben gecheckt
ihr habet gecheckt
sie; Sie haben gecheckt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich checkte
du checktest
er checkte
wir checkten
ihr checktet
sie; Sie checkten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gecheckt
du hättest gecheckt
er hätte gecheckt
wir hätten gecheckt
ihr hättet gecheckt
sie; Sie hätten gecheckt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde checken
du würdest checken
er würde checken
wir würden checken
ihr würdet checken
sie; Sie würden checken
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gecheckt haben
du würdest gecheckt haben
er würde gecheckt haben
wir würden gecheckt haben
ihr würdet gecheckt haben
sie; Sie würden gecheckt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du checke

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/checken

Werkwoorden A tot (en met) Z

Nederlandse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Duitse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Engelse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Franse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z
Spaanse werkwoorden: A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Vervoegen

avoir être willen send sein
© Mijnwoordenboek MMXI | Contact | Privacy | Vaakst vertaald