DE: catchen| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gecatcht catchend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich catche du catchst er catcht wir catchen ihr catcht sie; Sie catchen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gecatcht du hast gecatcht er hat gecatcht wir haben gecatcht ihr habt gecatcht sie; Sie haben gecatcht
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich catchte du catchtest er catchte wir catchten ihr catchtet sie; Sie catchten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gecatcht du hattest gecatcht er hatte gecatcht wir hatten gecatcht ihr hattet gecatcht sie; Sie hatten gecatcht
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde catchen du wirst catchen er wird catchen wir werden catchen ihr werdet catchen sie; Sie werden catchen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gecatcht haben du wirst gecatcht haben er wird gecatcht haben wir werden gecatcht haben ihr werdet gecatcht haben sie; Sie werden gecatcht haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich catche du catchest er catche wir catchen ihr catchet sie; Sie catchen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gecatcht du habest gecatcht er habe gecatcht wir haben gecatcht ihr habet gecatcht sie; Sie haben gecatcht
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich catchte du catchtest er catchte wir catchten ihr catchtet sie; Sie catchten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gecatcht du hättest gecatcht er hätte gecatcht wir hätten gecatcht ihr hättet gecatcht sie; Sie hätten gecatcht
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde catchen du würdest catchen er würde catchen wir würden catchen ihr würdet catchen sie; Sie würden catchen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gecatcht haben du würdest gecatcht haben er würde gecatcht haben wir würden gecatcht haben ihr würdet gecatcht haben sie; Sie würden gecatcht haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du catche
|
NL: catchen U-vorm: Vervoeg volgens de 2e persoon enkelvoud. (advies Taalunie)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gecatcht
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik catch jij catcht hij catcht wij catchen jullie catchen zij catchen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gecatcht jij hebt gecatcht hij heeft gecatcht wij hebben gecatcht jullie hebben gecatcht zij hebben gecatcht
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik catche jij catche hij catche wij catchen jullie catchen zij catchen
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gecatcht jij had gecatcht hij had gecatcht wij hadden gecatcht jullie hadden gecatcht zij hadden gecatcht
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal catchen jij zult catchen hij zal catchen wij zullen catchen jullie zullen catchen zij zullen catchen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gecatcht hebben jij zult gecatcht hebben hij zal gecatcht hebben wij zullen gecatcht hebben jullie zullen gecatcht hebben zij zullen gecatcht hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou catchen jij zou catchen hij zou catchen wij zouden catchen jullie zouden catchen zij zouden catchen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gecatcht hebben jij zou gecatcht hebben hij zou gecatcht hebben wij zouden gecatcht hebben jullie zouden gecatcht hebben zij zouden gecatcht hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
catch
|