NL: buurtenSynoniemen: bezoeken
DE: Nachbarn besuchen
EN: pay a visit
ES: comadrear, visitar los vecinos
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebuurt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik buurt jij buurt hij buurt wij buurten jullie buurten zij buurten
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebuurt jij hebt gebuurt hij heeft gebuurt wij hebben gebuurt jullie hebben gebuurt zij hebben gebuurt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik buurtte jij buurtte hij buurtte wij buurtten jullie buurtten zij buurtten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebuurt jij had gebuurt hij had gebuurt wij hadden gebuurt jullie hadden gebuurt zij hadden gebuurt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal buurten jij zult buurten hij zal buurten wij zullen buurten jullie zullen buurten zij zullen buurten
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebuurt hebben jij zult gebuurt hebben hij zal gebuurt hebben wij zullen gebuurt hebben jullie zullen gebuurt hebben zij zullen gebuurt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou buurten jij zou buurten hij zou buurten wij zouden buurten jullie zouden buurten zij zouden buurten
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebuurt hebben jij zou gebuurt hebben hij zou gebuurt hebben wij zouden gebuurt hebben jullie zouden gebuurt hebben zij zouden gebuurt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
buurt
|