NL: bukkenSynoniemen: buigen, toegeven
DE: sich nach vorne bücken, vorbeugen, sich ducken
EN: bend over
ES: agacharse
FR: se pencher, s'incliner en avant
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebukt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik buk jij bukt hij bukt wij bukken jullie bukken zij bukken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebukt jij hebt gebukt hij heeft gebukt wij hebben gebukt jullie hebben gebukt zij hebben gebukt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bukte jij bukte hij bukte wij bukten jullie bukten zij bukten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebukt jij had gebukt hij had gebukt wij hadden gebukt jullie hadden gebukt zij hadden gebukt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bukken jij zult bukken hij zal bukken wij zullen bukken jullie zullen bukken zij zullen bukken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebukt hebben jij zult gebukt hebben hij zal gebukt hebben wij zullen gebukt hebben jullie zullen gebukt hebben zij zullen gebukt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bukken jij zou bukken hij zou bukken wij zouden bukken jullie zouden bukken zij zouden bukken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebukt hebben jij zou gebukt hebben hij zou gebukt hebben wij zouden gebukt hebben jullie zouden gebukt hebben zij zouden gebukt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
buk
|