NL: broddelenSynoniemen: knoeien, prutsen
DE: stümpern, herumkramen, herumbasteln, pfuschen, herumfingern, herumdoktern, vor sich hin machen, herumpfuschen
EN: botch, bungle
ES: entretenerse, chapucear, farfullar, hacer mal, actuar con torpeza
FR: bricoler, tripoter
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebroddeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik broddel jij broddelt hij broddelt wij broddelen jullie broddelen zij broddelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebroddeld jij hebt gebroddeld hij heeft gebroddeld wij hebben gebroddeld jullie hebben gebroddeld zij hebben gebroddeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik broddelde jij broddelde hij broddelde wij broddelden jullie broddelden zij broddelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebroddeld jij had gebroddeld hij had gebroddeld wij hadden gebroddeld jullie hadden gebroddeld zij hadden gebroddeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal broddelen jij zult broddelen hij zal broddelen wij zullen broddelen jullie zullen broddelen zij zullen broddelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebroddeld hebben jij zult gebroddeld hebben hij zal gebroddeld hebben wij zullen gebroddeld hebben jullie zullen gebroddeld hebben zij zullen gebroddeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou broddelen jij zou broddelen hij zou broddelen wij zouden broddelen jullie zouden broddelen zij zouden broddelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebroddeld hebben jij zou gebroddeld hebben hij zou gebroddeld hebben wij zouden gebroddeld hebben jullie zouden gebroddeld hebben zij zouden gebroddeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
broddel
|