NL: brandschilderen U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebrandschilderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik brandschilder jij brandschildert hij brandschildert wij brandschilderen jullie brandschilderen zij brandschilderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebrandschilderd jij hebt gebrandschilderd hij heeft gebrandschilderd wij hebben gebrandschilderd jullie hebben gebrandschilderd zij hebben gebrandschilderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brandschilderde jij brandschilderde hij brandschilderde wij brandschilderden jullie brandschilderden zij brandschilderden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebrandschilderd jij had gebrandschilderd hij had gebrandschilderd wij hadden gebrandschilderd jullie hadden gebrandschilderd zij hadden gebrandschilderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal brandschilderen jij zult brandschilderen hij zal brandschilderen wij zullen brandschilderen jullie zullen brandschilderen zij zullen brandschilderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebrandschilderd hebben jij zult gebrandschilderd hebben hij zal gebrandschilderd hebben wij zullen gebrandschilderd hebben jullie zullen gebrandschilderd hebben zij zullen gebrandschilderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou brandschilderen jij zou brandschilderen hij zou brandschilderen wij zouden brandschilderen jullie zouden brandschilderen zij zouden brandschilderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebrandschilderd hebben jij zou gebrandschilderd hebben hij zou gebrandschilderd hebben wij zouden gebrandschilderd hebben jullie zouden gebrandschilderd hebben zij zouden gebrandschilderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
brandschilder
|