NL: brandmerkenSynoniemen: branden, inbranden, markeren, merken, schandvlekken, stigmata, merktekens
EN: mark, burn, stigmatize, brand
FR: marquer, torréfier, brûler, incendier, stigmatiser, typer, distiller, marquer d'un trait, munir de stigmates
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebrandmerkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik brandmerk jij brandmerkt hij brandmerkt wij brandmerken jullie brandmerken zij brandmerken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebrandmerkt jij hebt gebrandmerkt hij heeft gebrandmerkt wij hebben gebrandmerkt jullie hebben gebrandmerkt zij hebben gebrandmerkt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brandmerkte jij brandmerkte hij brandmerkte wij brandmerkten jullie brandmerkten zij brandmerkten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebrandmerkt jij had gebrandmerkt hij had gebrandmerkt wij hadden gebrandmerkt jullie hadden gebrandmerkt zij hadden gebrandmerkt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal brandmerken jij zult brandmerken hij zal brandmerken wij zullen brandmerken jullie zullen brandmerken zij zullen brandmerken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebrandmerkt hebben jij zult gebrandmerkt hebben hij zal gebrandmerkt hebben wij zullen gebrandmerkt hebben jullie zullen gebrandmerkt hebben zij zullen gebrandmerkt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou brandmerken jij zou brandmerken hij zou brandmerken wij zouden brandmerken jullie zouden brandmerken zij zouden brandmerken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebrandmerkt hebben jij zou gebrandmerkt hebben hij zou gebrandmerkt hebben wij zouden gebrandmerkt hebben jullie zouden gebrandmerkt hebben zij zouden gebrandmerkt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
brandmerk
|