NL: branden U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik brand jij brandt hij brandt wij branden jullie branden zij branden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebrand jij hebt gebrand hij heeft gebrand wij hebben gebrand jullie hebben gebrand zij hebben gebrand
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik brandde jij brandde hij brandde wij brandden jullie brandden zij brandden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebrand jij had gebrand hij had gebrand wij hadden gebrand jullie hadden gebrand zij hadden gebrand
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal branden jij zult branden hij zal branden wij zullen branden jullie zullen branden zij zullen branden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebrand hebben jij zult gebrand hebben hij zal gebrand hebben wij zullen gebrand hebben jullie zullen gebrand hebben zij zullen gebrand hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou branden jij zou branden hij zou branden wij zouden branden jullie zouden branden zij zouden branden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebrand hebben jij zou gebrand hebben hij zou gebrand hebben wij zouden gebrand hebben jullie zouden gebrand hebben zij zouden gebrand hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
brand
|
DE: branden| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
gebrandet brandend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich brande du brandest er brandet wir branden ihr brandet sie; Sie branden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe gebrandet du hast gebrandet er hat gebrandet wir haben gebrandet ihr habt gebrandet sie; Sie haben gebrandet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich brandete du brandetest er brandete wir brandeten ihr brandetet sie; Sie brandeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte gebrandet du hattest gebrandet er hatte gebrandet wir hatten gebrandet ihr hattet gebrandet sie; Sie hatten gebrandet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde branden du wirst branden er wird branden wir werden branden ihr werdet branden sie; Sie werden branden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde gebrandet haben du wirst gebrandet haben er wird gebrandet haben wir werden gebrandet haben ihr werdet gebrandet haben sie; Sie werden gebrandet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich brande du brandest er brande wir branden ihr brandet sie; Sie branden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe gebrandet du habest gebrandet er habe gebrandet wir haben gebrandet ihr habet gebrandet sie; Sie haben gebrandet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich brandete du brandetest er brandete wir brandeten ihr brandetet sie; Sie brandeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte gebrandet du hättest gebrandet er hätte gebrandet wir hätten gebrandet ihr hättet gebrandet sie; Sie hätten gebrandet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde branden du würdest branden er würde branden wir würden branden ihr würdet branden sie; Sie würden branden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde gebrandet haben du würdest gebrandet haben er würde gebrandet haben wir würden gebrandet haben ihr würdet gebrandet haben sie; Sie würden gebrandet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du brande
|