Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

branden vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: branden

NL: branden

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
gebrand
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik brand
jij brandt
hij brandt
wij branden
jullie branden
zij branden
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb gebrand
jij hebt gebrand
hij heeft gebrand
wij hebben gebrand
jullie hebben gebrand
zij hebben gebrand
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik brandde
jij brandde
hij brandde
wij brandden
jullie brandden
zij brandden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had gebrand
jij had gebrand
hij had gebrand
wij hadden gebrand
jullie hadden gebrand
zij hadden gebrand
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal branden
jij zult branden
hij zal branden
wij zullen branden
jullie zullen branden
zij zullen branden
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal gebrand hebben
jij zult gebrand hebben
hij zal gebrand hebben
wij zullen gebrand hebben
jullie zullen gebrand hebben
zij zullen gebrand hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou branden
jij zou branden
hij zou branden
wij zouden branden
jullie zouden branden
zij zouden branden
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou gebrand hebben
jij zou gebrand hebben
hij zou gebrand hebben
wij zouden gebrand hebben
jullie zouden gebrand hebben
zij zouden gebrand hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
brand


DE: branden
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
gebrandet
brandend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich brande
du brandest
er brandet
wir branden
ihr brandet
sie; Sie branden
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe gebrandet
du hast gebrandet
er hat gebrandet
wir haben gebrandet
ihr habt gebrandet
sie; Sie haben gebrandet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich brandete
du brandetest
er brandete
wir brandeten
ihr brandetet
sie; Sie brandeten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte gebrandet
du hattest gebrandet
er hatte gebrandet
wir hatten gebrandet
ihr hattet gebrandet
sie; Sie hatten gebrandet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde branden
du wirst branden
er wird branden
wir werden branden
ihr werdet branden
sie; Sie werden branden
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde gebrandet haben
du wirst gebrandet haben
er wird gebrandet haben
wir werden gebrandet haben
ihr werdet gebrandet haben
sie; Sie werden gebrandet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich brande
du brandest
er brande
wir branden
ihr brandet
sie; Sie branden
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe gebrandet
du habest gebrandet
er habe gebrandet
wir haben gebrandet
ihr habet gebrandet
sie; Sie haben gebrandet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich brandete
du brandetest
er brandete
wir brandeten
ihr brandetet
sie; Sie brandeten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte gebrandet
du hättest gebrandet
er hätte gebrandet
wir hätten gebrandet
ihr hättet gebrandet
sie; Sie hätten gebrandet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde branden
du würdest branden
er würde branden
wir würden branden
ihr würdet branden
sie; Sie würden branden
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde gebrandet haben
du würdest gebrandet haben
er würde gebrandet haben
wir würden gebrandet haben
ihr würdet gebrandet haben
sie; Sie würden gebrandet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du brande

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/branden

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English