NL: brakenSynoniemen: afschuw hebben, kotsen, over de nek gaan, overgeven, spugen, spuwen, vomeren, uitbraken
DE: das Erbrechen, das Kotzen
EN: the barfing, the vomiting, the puking
ES: el vómitos
FR: le vomissement
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebraakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik braak jij braakt hij braakt wij braken jullie braken zij braken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebraakt jij hebt gebraakt hij heeft gebraakt wij hebben gebraakt jullie hebben gebraakt zij hebben gebraakt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik braakte jij braakte hij braakte wij braakten jullie braakten zij braakten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebraakt jij had gebraakt hij had gebraakt wij hadden gebraakt jullie hadden gebraakt zij hadden gebraakt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal braken jij zult braken hij zal braken wij zullen braken jullie zullen braken zij zullen braken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebraakt hebben jij zult gebraakt hebben hij zal gebraakt hebben wij zullen gebraakt hebben jullie zullen gebraakt hebben zij zullen gebraakt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou braken jij zou braken hij zou braken wij zouden braken jullie zouden braken zij zouden braken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebraakt hebben jij zou gebraakt hebben hij zou gebraakt hebben wij zouden gebraakt hebben jullie zouden gebraakt hebben zij zouden gebraakt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
braak
|