NL: bouwenSynoniemen: aanleggen, construeren, opbouwen, rekenen
DE: errichten, bauen, aufbauen, aufstellen
EN: build up, compose, construct, build
ES: construir, montar
FR: construire, fonder, bâtir, lancer, édifier, ériger
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bouw jij bouwt hij bouwt wij bouwen jullie bouwen zij bouwen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebouwd jij hebt gebouwd hij heeft gebouwd wij hebben gebouwd jullie hebben gebouwd zij hebben gebouwd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bouwde jij bouwde hij bouwde wij bouwden jullie bouwden zij bouwden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebouwd jij had gebouwd hij had gebouwd wij hadden gebouwd jullie hadden gebouwd zij hadden gebouwd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bouwen jij zult bouwen hij zal bouwen wij zullen bouwen jullie zullen bouwen zij zullen bouwen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebouwd hebben jij zult gebouwd hebben hij zal gebouwd hebben wij zullen gebouwd hebben jullie zullen gebouwd hebben zij zullen gebouwd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bouwen jij zou bouwen hij zou bouwen wij zouden bouwen jullie zouden bouwen zij zouden bouwen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebouwd hebben jij zou gebouwd hebben hij zou gebouwd hebben wij zouden gebouwd hebben jullie zouden gebouwd hebben zij zouden gebouwd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bouw
|