NL: bottelenDE: füllen, abfüllen, auf Flaschen ziehen
EN: bottle
ES: embotellar, envasar
FR: mettre en bouteilles, embouteiller
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebotteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bottel jij bottelt hij bottelt wij bottelen jullie bottelen zij bottelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebotteld jij hebt gebotteld hij heeft gebotteld wij hebben gebotteld jullie hebben gebotteld zij hebben gebotteld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bottelde jij bottelde hij bottelde wij bottelden jullie bottelden zij bottelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebotteld jij had gebotteld hij had gebotteld wij hadden gebotteld jullie hadden gebotteld zij hadden gebotteld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bottelen jij zult bottelen hij zal bottelen wij zullen bottelen jullie zullen bottelen zij zullen bottelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebotteld hebben jij zult gebotteld hebben hij zal gebotteld hebben wij zullen gebotteld hebben jullie zullen gebotteld hebben zij zullen gebotteld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bottelen jij zou bottelen hij zou bottelen wij zouden bottelen jullie zouden bottelen zij zouden bottelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebotteld hebben jij zou gebotteld hebben hij zou gebotteld hebben wij zouden gebotteld hebben jullie zouden gebotteld hebben zij zouden gebotteld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bottel
|