NL: borrelenSynoniemen: koken, pimpelen, pruttelen, wellen, zuipen, borreluur, bruisen, borrpakken, borrdrinken, gebubbel, geborrel, drinken
DE: borrelen (borrel pakken): Schnapstrinken
EN: borrelen (borrel pakken): drink, have a drink
ES: borrelen (borrel pakken): ir de copas, tomar una copa, tomar un aperitivo
FR: borrelen (borrel pakken): boire, prendre un verre, prendre l'apéro, boire un coup, prendre l'apéritif, boire un verre
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geborreld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik borrel jij borrelt hij borrelt wij borrelen jullie borrelen zij borrelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geborreld jij hebt geborreld hij heeft geborreld wij hebben geborreld jullie hebben geborreld zij hebben geborreld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik borrelde jij borrelde hij borrelde wij borrelden jullie borrelden zij borrelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geborreld jij had geborreld hij had geborreld wij hadden geborreld jullie hadden geborreld zij hadden geborreld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal borrelen jij zult borrelen hij zal borrelen wij zullen borrelen jullie zullen borrelen zij zullen borrelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geborreld hebben jij zult geborreld hebben hij zal geborreld hebben wij zullen geborreld hebben jullie zullen geborreld hebben zij zullen geborreld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou borrelen jij zou borrelen hij zou borrelen wij zouden borrelen jullie zouden borrelen zij zouden borrelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geborreld hebben jij zou geborreld hebben hij zou geborreld hebben wij zouden geborreld hebben jullie zouden geborreld hebben zij zouden geborreld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
borrel
|