NL: borgenSynoniemen: borgen (entlehnen): ontlenen, lenen
DE: leihen
EN: borgen (entlehnen): derive, draw
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geborgd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik borg jij borgt hij borgt wij borgen jullie borgen zij borgen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geborgd jij hebt geborgd hij heeft geborgd wij hebben geborgd jullie hebben geborgd zij hebben geborgd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik borgde jij borgde hij borgde wij borgden jullie borgden zij borgden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geborgd jij had geborgd hij had geborgd wij hadden geborgd jullie hadden geborgd zij hadden geborgd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal borgen jij zult borgen hij zal borgen wij zullen borgen jullie zullen borgen zij zullen borgen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geborgd hebben jij zult geborgd hebben hij zal geborgd hebben wij zullen geborgd hebben jullie zullen geborgd hebben zij zullen geborgd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou borgen jij zou borgen hij zou borgen wij zouden borgen jullie zouden borgen zij zouden borgen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geborgd hebben jij zou geborgd hebben hij zou geborgd hebben wij zouden geborgd hebben jullie zouden geborgd hebben zij zouden geborgd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
borg
|
DE: borgenSynoniemen: leihen
NL: borgen (entlehnen): ontlenen, lenen
EN: borgen (entlehnen): derive, draw
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geborgt borgend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich borge du borgst er borgt wir borgen ihr borgt sie; Sie borgen
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geborgt du hast geborgt er hat geborgt wir haben geborgt ihr habt geborgt sie; Sie haben geborgt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich borgte du borgtest er borgte wir borgten ihr borgtet sie; Sie borgten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geborgt du hattest geborgt er hatte geborgt wir hatten geborgt ihr hattet geborgt sie; Sie hatten geborgt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde borgen du wirst borgen er wird borgen wir werden borgen ihr werdet borgen sie; Sie werden borgen
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geborgt haben du wirst geborgt haben er wird geborgt haben wir werden geborgt haben ihr werdet geborgt haben sie; Sie werden geborgt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich borge du borgest er borge wir borgen ihr borget sie; Sie borgen
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geborgt du habest geborgt er habe geborgt wir haben geborgt ihr habet geborgt sie; Sie haben geborgt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich borgte du borgtest er borgte wir borgten ihr borgtet sie; Sie borgten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geborgt du hättest geborgt er hätte geborgt wir hätten geborgt ihr hättet geborgt sie; Sie hätten geborgt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde borgen du würdest borgen er würde borgen wir würden borgen ihr würdet borgen sie; Sie würden borgen
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geborgt haben du würdest geborgt haben er würde geborgt haben wir würden geborgt haben ihr würdet geborgt haben sie; Sie würden geborgt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du borge
|