Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

borgen vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





DE: borgen

NL: borgen
Synoniemen: borgen (entlehnen): ontlenen, lenen

DE: leihen
EN: borgen (entlehnen): derive, draw

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geborgd
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik borg
jij borgt
hij borgt
wij borgen
jullie borgen
zij borgen
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geborgd
jij hebt geborgd
hij heeft geborgd
wij hebben geborgd
jullie hebben geborgd
zij hebben geborgd
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik borgde
jij borgde
hij borgde
wij borgden
jullie borgden
zij borgden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geborgd
jij had geborgd
hij had geborgd
wij hadden geborgd
jullie hadden geborgd
zij hadden geborgd
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal borgen
jij zult borgen
hij zal borgen
wij zullen borgen
jullie zullen borgen
zij zullen borgen
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geborgd hebben
jij zult geborgd hebben
hij zal geborgd hebben
wij zullen geborgd hebben
jullie zullen geborgd hebben
zij zullen geborgd hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou borgen
jij zou borgen
hij zou borgen
wij zouden borgen
jullie zouden borgen
zij zouden borgen
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geborgd hebben
jij zou geborgd hebben
hij zou geborgd hebben
wij zouden geborgd hebben
jullie zouden geborgd hebben
zij zouden geborgd hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
borg


DE: borgen
Synoniemen: leihen

NL: borgen (entlehnen): ontlenen, lenen
EN: borgen (entlehnen): derive, draw
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
geborgt
borgend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich borge
du borgst
er borgt
wir borgen
ihr borgt
sie; Sie borgen
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe geborgt
du hast geborgt
er hat geborgt
wir haben geborgt
ihr habt geborgt
sie; Sie haben geborgt
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich borgte
du borgtest
er borgte
wir borgten
ihr borgtet
sie; Sie borgten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte geborgt
du hattest geborgt
er hatte geborgt
wir hatten geborgt
ihr hattet geborgt
sie; Sie hatten geborgt
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde borgen
du wirst borgen
er wird borgen
wir werden borgen
ihr werdet borgen
sie; Sie werden borgen
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde geborgt haben
du wirst geborgt haben
er wird geborgt haben
wir werden geborgt haben
ihr werdet geborgt haben
sie; Sie werden geborgt haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich borge
du borgest
er borge
wir borgen
ihr borget
sie; Sie borgen
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe geborgt
du habest geborgt
er habe geborgt
wir haben geborgt
ihr habet geborgt
sie; Sie haben geborgt
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich borgte
du borgtest
er borgte
wir borgten
ihr borgtet
sie; Sie borgten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte geborgt
du hättest geborgt
er hätte geborgt
wir hätten geborgt
ihr hättet geborgt
sie; Sie hätten geborgt
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde borgen
du würdest borgen
er würde borgen
wir würden borgen
ihr würdet borgen
sie; Sie würden borgen
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde geborgt haben
du würdest geborgt haben
er würde geborgt haben
wir würden geborgt haben
ihr würdet geborgt haben
sie; Sie würden geborgt haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du borge

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/borgen

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English