NL: bonzenSynoniemen: beuken, botsen, jagen, luiden, dreunen
EN: bump against, tinkle, call, ring, brush against
ES: golpear, llamar a la puerta, palpitar con fuerza
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebonsd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bons jij bonst hij bonst wij bonzen jullie bonzen zij bonzen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebonsd jij hebt gebonsd hij heeft gebonsd wij hebben gebonsd jullie hebben gebonsd zij hebben gebonsd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bonsde jij bonsde hij bonsde wij bonsden jullie bonsden zij bonsden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebonsd jij had gebonsd hij had gebonsd wij hadden gebonsd jullie hadden gebonsd zij hadden gebonsd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bonzen jij zult bonzen hij zal bonzen wij zullen bonzen jullie zullen bonzen zij zullen bonzen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebonsd hebben jij zult gebonsd hebben hij zal gebonsd hebben wij zullen gebonsd hebben jullie zullen gebonsd hebben zij zullen gebonsd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bonzen jij zou bonzen hij zou bonzen wij zouden bonzen jullie zouden bonzen zij zouden bonzen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebonsd hebben jij zou gebonsd hebben hij zou gebonsd hebben wij zouden gebonsd hebben jullie zouden gebonsd hebben zij zouden gebonsd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bons
|