NL: boerenSynoniemen: agrariërs, oprispen, oprispingen, provincialen, burpen, kokhalzen
DE: boeren (resultaten van werk zien): Beruf ausüben, Resultate der Arbeit sehen
EN: boeren (resultaten van werk zien): manage one's affairs
ES: boeren (resultaten van werk zien): manejarse
FR: boeren (resultaten van werk zien): voir les fruits de ses efforts, faire de bonnes affaires
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geboerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik boer jij boert hij boert wij boeren jullie boeren zij boeren
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geboerd jij hebt geboerd hij heeft geboerd wij hebben geboerd jullie hebben geboerd zij hebben geboerd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik boerde jij boerde hij boerde wij boerden jullie boerden zij boerden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geboerd jij had geboerd hij had geboerd wij hadden geboerd jullie hadden geboerd zij hadden geboerd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal boeren jij zult boeren hij zal boeren wij zullen boeren jullie zullen boeren zij zullen boeren
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geboerd hebben jij zult geboerd hebben hij zal geboerd hebben wij zullen geboerd hebben jullie zullen geboerd hebben zij zullen geboerd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou boeren jij zou boeren hij zou boeren wij zouden boeren jullie zouden boeren zij zouden boeren
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geboerd hebben jij zou geboerd hebben hij zou geboerd hebben wij zouden geboerd hebben jullie zouden geboerd hebben zij zouden geboerd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
boer
|