NL: boemelenSynoniemen: nachtbraken, pierewaaien, stappen, zwijnen, uitspatten, slempen, brassen
DE: boemelen (aan de zwier gaan): bummeln
EN: boemelen (aan de zwier gaan): be on the spree
ES: boemelen (aan de zwier gaan): ir de marcha, estar de juerga, ir de juerga
FR: boemelen (aan de zwier gaan): faire la noce, aller en vadrouille, aller faire la noce
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geboemeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik boemel jij boemelt hij boemelt wij boemelen jullie boemelen zij boemelen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geboemeld jij hebt geboemeld hij heeft geboemeld wij hebben geboemeld jullie hebben geboemeld zij hebben geboemeld
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik boemelde jij boemelde hij boemelde wij boemelden jullie boemelden zij boemelden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geboemeld jij had geboemeld hij had geboemeld wij hadden geboemeld jullie hadden geboemeld zij hadden geboemeld
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal boemelen jij zult boemelen hij zal boemelen wij zullen boemelen jullie zullen boemelen zij zullen boemelen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geboemeld hebben jij zult geboemeld hebben hij zal geboemeld hebben wij zullen geboemeld hebben jullie zullen geboemeld hebben zij zullen geboemeld hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou boemelen jij zou boemelen hij zou boemelen wij zouden boemelen jullie zouden boemelen zij zouden boemelen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geboemeld hebben jij zou geboemeld hebben hij zou geboemeld hebben wij zouden geboemeld hebben jullie zouden geboemeld hebben zij zouden geboemeld hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
boemel
|