NL: bluesrocken U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebluesrockt
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bluesrock jij bluesrockt hij bluesrockt wij bluesrocken jullie bluesrocken zij bluesrocken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebluesrockt jij hebt gebluesrockt hij heeft gebluesrockt wij hebben gebluesrockt jullie hebben gebluesrockt zij hebben gebluesrockt
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bluesrockte jij bluesrockte hij bluesrockte wij bluesrockten jullie bluesrockten zij bluesrockten
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebluesrockt jij had gebluesrockt hij had gebluesrockt wij hadden gebluesrockt jullie hadden gebluesrockt zij hadden gebluesrockt
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bluesrocken jij zult bluesrocken hij zal bluesrocken wij zullen bluesrocken jullie zullen bluesrocken zij zullen bluesrocken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebluesrockt hebben jij zult gebluesrockt hebben hij zal gebluesrockt hebben wij zullen gebluesrockt hebben jullie zullen gebluesrockt hebben zij zullen gebluesrockt hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bluesrocken jij zou bluesrocken hij zou bluesrocken wij zouden bluesrocken jullie zouden bluesrocken zij zouden bluesrocken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebluesrockt hebben jij zou gebluesrockt hebben hij zou gebluesrockt hebben wij zouden gebluesrockt hebben jullie zouden gebluesrockt hebben zij zouden gebluesrockt hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bluesrock
|