NL: blozenSynoniemen: gloeien, kleuren, flush, roodheid
DE: erröten
EN: blush, flush, turn red, glow
ES: iluminar, colorear, arder, ruborizarse, sonrojarse, enrojecer, estar latente, ponerse colorado, avergonzarse, abochornarse, estar al rojo vivo, arder sin llama
FR: rougir, avoir un teint coloré
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebloosd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bloos jij bloost hij bloost wij blozen jullie blozen zij blozen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebloosd jij hebt gebloosd hij heeft gebloosd wij hebben gebloosd jullie hebben gebloosd zij hebben gebloosd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bloosde jij bloosde hij bloosde wij bloosden jullie bloosden zij bloosden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebloosd jij had gebloosd hij had gebloosd wij hadden gebloosd jullie hadden gebloosd zij hadden gebloosd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal blozen jij zult blozen hij zal blozen wij zullen blozen jullie zullen blozen zij zullen blozen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebloosd hebben jij zult gebloosd hebben hij zal gebloosd hebben wij zullen gebloosd hebben jullie zullen gebloosd hebben zij zullen gebloosd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou blozen jij zou blozen hij zou blozen wij zouden blozen jullie zouden blozen zij zouden blozen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebloosd hebben jij zou gebloosd hebben hij zou gebloosd hebben wij zouden gebloosd hebben jullie zouden gebloosd hebben zij zouden gebloosd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bloos
|