NL: blinkenSynoniemen: blinken
DE: ein Blinkzeichen geben, scheinen, leuchten, blitzen, den Anschein haben, flimmern, funkeln, glitzern, glänzen, so aussehen als ob, strahlen
EN: glitter, glimmer
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geblonken
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik blink jij blinkt hij blinkt wij blinken jullie blinken zij blinken
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geblonken jij hebt geblonken hij heeft geblonken wij hebben geblonken jullie hebben geblonken zij hebben geblonken
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik blonk jij blonk hij blonk wij blonken jullie blonken zij blonken
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geblonken jij had geblonken hij had geblonken wij hadden geblonken jullie hadden geblonken zij hadden geblonken
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal blinken jij zult blinken hij zal blinken wij zullen blinken jullie zullen blinken zij zullen blinken
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geblonken hebben jij zult geblonken hebben hij zal geblonken hebben wij zullen geblonken hebben jullie zullen geblonken hebben zij zullen geblonken hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou blinken jij zou blinken hij zou blinken wij zouden blinken jullie zouden blinken zij zouden blinken
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geblonken hebben jij zou geblonken hebben hij zou geblonken hebben wij zouden geblonken hebben jullie zouden geblonken hebben zij zouden geblonken hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
blink
|
DE: blinkenSynoniemen: ein Blinkzeichen geben, scheinen, leuchten, blitzen, den Anschein haben, flimmern, funkeln, glitzern, glänzen, so aussehen als ob, strahlen
NL: blinken
EN: glitter, glimmer
| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geblinkt blinkend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich blinke du blinkst er blinkt wir blinken ihr blinkt sie; Sie blinken
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geblinkt du hast geblinkt er hat geblinkt wir haben geblinkt ihr habt geblinkt sie; Sie haben geblinkt
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich blinkte du blinktest er blinkte wir blinkten ihr blinktet sie; Sie blinkten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geblinkt du hattest geblinkt er hatte geblinkt wir hatten geblinkt ihr hattet geblinkt sie; Sie hatten geblinkt
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde blinken du wirst blinken er wird blinken wir werden blinken ihr werdet blinken sie; Sie werden blinken
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geblinkt haben du wirst geblinkt haben er wird geblinkt haben wir werden geblinkt haben ihr werdet geblinkt haben sie; Sie werden geblinkt haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich blinke du blinkest er blinke wir blinken ihr blinket sie; Sie blinken
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geblinkt du habest geblinkt er habe geblinkt wir haben geblinkt ihr habet geblinkt sie; Sie haben geblinkt
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich blinkte du blinktest er blinkte wir blinkten ihr blinktet sie; Sie blinkten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geblinkt du hättest geblinkt er hätte geblinkt wir hätten geblinkt ihr hättet geblinkt sie; Sie hätten geblinkt
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde blinken du würdest blinken er würde blinken wir würden blinken ihr würdet blinken sie; Sie würden blinken
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geblinkt haben du würdest geblinkt haben er würde geblinkt haben wir würden geblinkt haben ihr würdet geblinkt haben sie; Sie würden geblinkt haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du blinke
|