DE: blenden| Partizip Perfekt & Präsens |
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II) `komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I) |
geblendet blendend
|
| Indikativ Präsens |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich blende du blendest er blendet wir blenden ihr blendet sie; Sie blenden
|
| Indikativ Perfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich habe geblendet du hast geblendet er hat geblendet wir haben geblendet ihr habt geblendet sie; Sie haben geblendet
|
| Indikativ Präteritum |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich blendete du blendetest er blendete wir blendeten ihr blendetet sie; Sie blendeten
|
| Indikativ Plusquamperfekt |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich hatte geblendet du hattest geblendet er hatte geblendet wir hatten geblendet ihr hattet geblendet sie; Sie hatten geblendet
|
| Indikativ Futur I |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde blenden du wirst blenden er wird blenden wir werden blenden ihr werdet blenden sie; Sie werden blenden
|
| Indikativ Futur II |
| der Indikativ = aantonende wijs |
ich werde geblendet haben du wirst geblendet haben er wird geblendet haben wir werden geblendet haben ihr werdet geblendet haben sie; Sie werden geblendet haben
|
| Konjunktiv I Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich blende du blendest er blende wir blenden ihr blendet sie; Sie blenden
|
| Konjunktiv I Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich habe geblendet du habest geblendet er habe geblendet wir haben geblendet ihr habet geblendet sie; Sie haben geblendet
|
| Konjunktiv II Präsens |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich blendete du blendetest er blendete wir blendeten ihr blendetet sie; Sie blendeten
|
| Konjunktiv II Perfekt |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich hätte geblendet du hättest geblendet er hätte geblendet wir hätten geblendet ihr hättet geblendet sie; Sie hätten geblendet
|
| Konjunktiv II Futur I |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde blenden du würdest blenden er würde blenden wir würden blenden ihr würdet blenden sie; Sie würden blenden
|
| Konjunktiv II Futur II |
| der Konjunktiv = aanvoegende wijs |
ich würde geblendet haben du würdest geblendet haben er würde geblendet haben wir würden geblendet haben ihr würdet geblendet haben sie; Sie würden geblendet haben
|
| der Imperativ |
| der Imperativ = gebiedende wijs |
du blende
|
NL: blenden U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
geblend
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik blend jij blendt hij blendt wij blenden jullie blenden zij blenden
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb geblend jij hebt geblend hij heeft geblend wij hebben geblend jullie hebben geblend zij hebben geblend
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik blendde jij blendde hij blendde wij blendden jullie blendden zij blendden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had geblend jij had geblend hij had geblend wij hadden geblend jullie hadden geblend zij hadden geblend
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal blenden jij zult blenden hij zal blenden wij zullen blenden jullie zullen blenden zij zullen blenden
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal geblend hebben jij zult geblend hebben hij zal geblend hebben wij zullen geblend hebben jullie zullen geblend hebben zij zullen geblend hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou blenden jij zou blenden hij zou blenden wij zouden blenden jullie zouden blenden zij zouden blenden
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou geblend hebben jij zou geblend hebben hij zou geblend hebben wij zouden geblend hebben jullie zouden geblend hebben zij zouden geblend hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
blend
|