Synoniemen

NL | DE | EN | ES | FR

Werkwoorden

Werkwoorden vervoegen

blenden vervoegen

Vul een werkwoord of werkwoordsvorm in van een Nederlands, Duits,
Engels, Frans of Spaans werkwoord.
Bv: denken, dacht, sms'en, sein, have, avoir, être, aller, hablar





NL: blenden

DE: blenden
Partizip Perfekt & Präsens
`Hij is gekomen` = voltooid deelwoord (Partizip II)
`komend` = tegenwoordig deelwoord (Partizip I)
geblendet
blendend
Indikativ Präsens
der Indikativ = aantonende wijs
ich blende
du blendest
er blendet
wir blenden
ihr blendet
sie; Sie blenden
Indikativ Perfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich habe geblendet
du hast geblendet
er hat geblendet
wir haben geblendet
ihr habt geblendet
sie; Sie haben geblendet
Indikativ Präteritum
der Indikativ = aantonende wijs
ich blendete
du blendetest
er blendete
wir blendeten
ihr blendetet
sie; Sie blendeten
Indikativ Plusquamperfekt
der Indikativ = aantonende wijs
ich hatte geblendet
du hattest geblendet
er hatte geblendet
wir hatten geblendet
ihr hattet geblendet
sie; Sie hatten geblendet
Indikativ Futur I
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde blenden
du wirst blenden
er wird blenden
wir werden blenden
ihr werdet blenden
sie; Sie werden blenden
Indikativ Futur II
der Indikativ = aantonende wijs
ich werde geblendet haben
du wirst geblendet haben
er wird geblendet haben
wir werden geblendet haben
ihr werdet geblendet haben
sie; Sie werden geblendet haben
Konjunktiv I Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich blende
du blendest
er blende
wir blenden
ihr blendet
sie; Sie blenden
Konjunktiv I Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich habe geblendet
du habest geblendet
er habe geblendet
wir haben geblendet
ihr habet geblendet
sie; Sie haben geblendet
Konjunktiv II Präsens
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich blendete
du blendetest
er blendete
wir blendeten
ihr blendetet
sie; Sie blendeten
Konjunktiv II Perfekt
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich hätte geblendet
du hättest geblendet
er hätte geblendet
wir hätten geblendet
ihr hättet geblendet
sie; Sie hätten geblendet
Konjunktiv II Futur I
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde blenden
du würdest blenden
er würde blenden
wir würden blenden
ihr würdet blenden
sie; Sie würden blenden
Konjunktiv II Futur II
der Konjunktiv = aanvoegende wijs
ich würde geblendet haben
du würdest geblendet haben
er würde geblendet haben
wir würden geblendet haben
ihr würdet geblendet haben
sie; Sie würden geblendet haben
der Imperativ
der Imperativ = gebiedende wijs
du blende


NL: blenden

U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)

Voltooid deelwoord
Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen`
geblend
Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott)
Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt.
ik blend
jij blendt
hij blendt
wij blenden
jullie blenden
zij blenden
Voltooid tegenwoordige tijd (vtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn.
ik heb geblend
jij hebt geblend
hij heeft geblend
wij hebben geblend
jullie hebben geblend
zij hebben geblend
Onvoltooid verleden tijd (ovt)
Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is.
ik blendde
jij blendde
hij blendde
wij blendden
jullie blendden
zij blendden
Voltooid verleden tijd (vvt)
wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren.
ik had geblend
jij had geblend
hij had geblend
wij hadden geblend
jullie hadden geblend
zij hadden geblend
Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt)
Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden.
ik zal blenden
jij zult blenden
hij zal blenden
wij zullen blenden
jullie zullen blenden
zij zullen blenden
Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn.
ik zal geblend hebben
jij zult geblend hebben
hij zal geblend hebben
wij zullen geblend hebben
jullie zullen geblend hebben
zij zullen geblend hebben
Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden.
ik zou blenden
jij zou blenden
hij zou blenden
wij zouden blenden
jullie zouden blenden
zij zouden blenden
Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt)
Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn.
ik zou geblend hebben
jij zou geblend hebben
hij zou geblend hebben
wij zouden geblend hebben
jullie zouden geblend hebben
zij zouden geblend hebben
Gebiedende wijs
bv. `Ga weg!`
blend

Directe link naar deze pagina:

http://www.mijnwoordenboek.nl/werkwoord/blenden

Werkwoorden A tot (en met) Z



Nederlandse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Duitse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Engelse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Franse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

Spaanse werkwoorden
A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z



© Mijnwoordenboek MMXII | Contact | Privacy | Vaakst vertaald | In English