NL: bladderenSynoniemen: schilferen
EN: blister
FR: se boursoufler
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
gebladderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik bladder jij bladdert hij bladdert wij bladderen jullie bladderen zij bladderen
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb gebladderd jij hebt gebladderd hij heeft gebladderd wij hebben gebladderd jullie hebben gebladderd zij hebben gebladderd
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik bladderde jij bladderde hij bladderde wij bladderden jullie bladderden zij bladderden
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had gebladderd jij had gebladderd hij had gebladderd wij hadden gebladderd jullie hadden gebladderd zij hadden gebladderd
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bladderen jij zult bladderen hij zal bladderen wij zullen bladderen jullie zullen bladderen zij zullen bladderen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal gebladderd hebben jij zult gebladderd hebben hij zal gebladderd hebben wij zullen gebladderd hebben jullie zullen gebladderd hebben zij zullen gebladderd hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bladderen jij zou bladderen hij zou bladderen wij zouden bladderen jullie zouden bladderen zij zouden bladderen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou gebladderd hebben jij zou gebladderd hebben hij zou gebladderd hebben wij zouden gebladderd hebben jullie zouden gebladderd hebben zij zouden gebladderd hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
bladder
|