NL: bijwonenDE: beiwohnen, anwesend sein
EN: attend, be present at, witness
ES: asistir a, presenciar, estar presente
FR: être présent, assister à, être témoin de
U-vorm: Vervoeg zoals `jij`. (2e persoon enkelvoud) (advies Taalunie)
men, het, zij (enkelvoud): Vervoeg zoals `hij`. (3e persoon)
|
| Voltooid deelwoord |
| Wordt gebruikt om de voltooid tegenwoordige tijd, de voltooid toekomende tijd en de voltooid verleden tijd te vormen` |
bijgewoond
|
| Onvoltooid tegenwoordige tijd (ott) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die op het moment van spreken plaatsvindt. |
ik woon bij jij woont bij hij woont bij wij wonen bij jullie wonen bij zij wonen bij
|
| Voltooid tegenwoordige tijd (vtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaatsvonden en afgerond zijn. |
ik heb bijgewoond jij hebt bijgewoond hij heeft bijgewoond wij hebben bijgewoond jullie hebben bijgewoond zij hebben bijgewoond
|
| Onvoltooid verleden tijd (ovt) |
| Deze geeft een handeling weer die in het verleden plaatsvond, en waarvan het `afgerond zijn` niet nadrukkelijk aanwezig is. |
ik woonde bij jij woonde bij hij woonde bij wij woonden bij jullie woonden bij zij woonden bij
|
| Voltooid verleden tijd (vvt) |
| wordt gebruikt voor handelingen die vanuit het verleden gezien in het verleden plaatsvonden en al afgerond waren. |
ik had bijgewoond jij had bijgewoond hij had bijgewoond wij hadden bijgewoond jullie hadden bijgewoond zij hadden bijgewoond
|
| Onvoltooid tegenwoordige toekomende tijd (ottt) |
| Deze tijd geeft een handeling weer die in de toekomst plaats zal vinden. |
ik zal bijwonen jij zult bijwonen hij zal bijwonen wij zullen bijwonen jullie zullen bijwonen zij zullen bijwonen
|
| Voltooid tegenwoordige toekomende tijd (vttt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in de toekomst plaatsvinden en afgerond zijn. |
ik zal bijgewoond hebben jij zult bijgewoond hebben hij zal bijgewoond hebben wij zullen bijgewoond hebben jullie zullen bijgewoond hebben zij zullen bijgewoond hebben
|
| Onvoltooid verleden toekomende tijd (ovtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden. |
ik zou bijwonen jij zou bijwonen hij zou bijwonen wij zouden bijwonen jullie zouden bijwonen zij zouden bijwonen
|
| Voltooid verleden toekomende tijd (vvtt) |
| Wordt gebruikt voor handelingen die gezien vanuit het moment van spreken in het verleden plaats hadden kunnen vinden en afgerond zijn. |
ik zou bijgewoond hebben jij zou bijgewoond hebben hij zou bijgewoond hebben wij zouden bijgewoond hebben jullie zouden bijgewoond hebben zij zouden bijgewoond hebben
|
| Gebiedende wijs |
| bv. `Ga weg!` |
woon bij
|